Twee mannen zitten onder een bevallende avondhemel. Het is herfst en het dorpsplein is leeg, klein, familiair. Ze zijn hier beiden al vaker geweest, maar nog nooit met de ander. Het is alsof deze kruisende straten een geheim zijn, dat ze beiden dachten te verbergen. Maar hier, aan dit door nerveuze ijskristallen bedekte tafeltje, smaakt de drank naar vriendschap en hoeft er niks meer achtergehouden te worden. Alexander tekent met zijn vingertoppen op de tafel. Zijn persoon heeft iets exotisch, iets wilds en onvoorspelbaars. Er zit iets tragisch en onvermijdelijks in – en gespeend van sarcasme. De straten zijn kil en de mist is drukkend, dreigend, voorzien van een holle klank en een twijfelachtige geur. In het gelige licht van straatlantaarns schijnt de damp de wereld op te slokken en uit te spuwen, als een moloch uit de machinekamers. Alexander laat zijn ebbenhouten vingers sierlijk landen op het titelblad van het manuscript van de Schrijver. Hij streelt het witte papier, afgeleid, terugdromend, alsof hij mooie tijden heeft doorgebracht met de bundel; licht obscene, hoogst erotische, weinig verfijnde nachten. Maar zijn eindoordeel blijkt een gebalde vuist die met een doffe klank in het midden van het blad belandt.
“Het is goed, hoor. Dat weet je zelf goed genoeg. Ik zou het niet kunnen.”
De Schrijver knikt, leunt naar voren, neemt een slok. Hij rilt onwillekeurig onder de naderbij kruipende nacht. Alexander vervolgt zijn oordeel, met zijn witte glimlach als een aura in zijn donkere gelaat. “Maar het is misantropisch. Ik kan het niet verzwijgen. Ik weet niet of het je bedoeling is. Het is lelijk en mensenschuw en dat is mijn mening. Ik wil gevoel, ik wil sidderingen, ik wil kienhout proeven uit lauwe poeltjes, en met mijn handen in hopen mest knijpen. Ken je die sensatie?”
“Mensenschuw, zeg je.”
“Je wilt gevangen genomen worden en bevredigd door een verhaal. Gemept. Maar het meest van al, je wilt de laatste zin doorslikken en hebben gevoeld. Wat kan literatuur anders nog dan voelen? Doen voelen?”
“Wat voor mest, trouwens?”
“Je hart! Je hart, daar woont de schrijver nu. Hij wilt je laten voelen dat sommige dingen niet vergeten mogen worden. Dat sommige dingen nog bestaansrecht hebben. Dat de hoop niet opgegeven moet worden.”
“Goed. Dus het is misantropisch. Is dat geen gevoel dan?” Hij houdt het gesprek gaande, zijn hart zit er niet in. Aan de muur van het café hangt reeds kerstverlichting, maar de kleine druppelvormige lampjes zijn zwak, veraf, triest. Alexander hult zich in de schaduwen. “Heb je ooit al eens de voeten van een mooie vrouw gezien?”
“Nee.” moet hij bekennen. De lach die daarop volgt, is vernederend, kleinerend. Je hebt nog veel bij te leren. “Dan kan ik je niet helpen.” Hij legt zijn handen op zijn bovenbenen en kijkt rond. “Tijd voor een sigaret.”
Soms voelt het alsof het vragen om een vuurtje Alexanders meest sublieme uiting is van het leggen van contacten. Het is een haast non-verbale affaire, een apart circuit met regels en conventies. Het benaderen, de schouders hoog opgetrokken, een hand beschermend, koesterend, rond de sigaret en een blik naar de grond, langzaam omhoog glijdend. Een klein blauwbleekgeel vlammetje en de rijke walmen van tabak. Dezer dagen de makkelijkste manier, of nee, meer zelfs, het is het laatste restant van wat ooit een gemeenschap was. Nu vindt men groepsgevoel en anarchie enkel maar bij terroristen, fans van heavy metal en het efemere, troebele hoopje mensen dat een vuurtje nodig heeft.
0 reacties:
Een reactie plaatsen