Mocht ik mijn eigen denken kunnen relativeren, dan zou ik al gauw gaan inzien dat ik niet denk in vloedgolven, niet dwaal door exorbitante tropische tuinen en me niet tooi in opzichtige gewaden. Er zijn explosies, dat wel. Als vallende sterren aan de hemel, een kleine scheur in het dak van een circustent, zo vallen ideeën binnen, vluchtig en snel. Maar deze gedachten zijn snel opgebrand, en alles wat overblijft is een klompje smeulend gesteente. Deze ideeën onthaal ik met heel wat bravoure, ik omhels ze en aanbid ze en beschouw ze als het extract van mijn duivels genie. Ik berg ze op in glazen potjes en kijk elke dag of ze zijn ontkiemd; maar ze koelen af, verschrompelen, worden zwart en dof. En zo verzamel ik potjes as en stapel ik ze op, in de rekken van een brein dat ik foutief beschouw als een rijk uit de barok gegrepen, een verzameling gouden torens met glasramen uit verre landen, een ondoordringbare woestenij die gebukt gaat onder een broeierige zon.
Ondertussen, terwijl korte lichtflitsen doorheen mijn schedelpan vliegen, zijn er de ware ideeën. De waardevolle ideeën. Zij zijn niet snel, niet blits en zij komen binnen langs een achterpoortje. Deze schepsels groeien, langzaam, ondergronds en heimelijk, zij zijn schadeloze sponzen die voedsel opslorpen en in gestalte toenemen tot ik niet anders meer kan dan me wegdraaien van het vuurwerk en het vertoon voor mijn ogen, en mijn blik werp op deze schuchtere bende. De ware ideeën: de inspiratieslurpers, de verzamelaars, de vergaarbakken. Het zijn zij die de tramritten, de rivaliteiten, de liefde en het verstand in zich opnemen. Zij kijken mee naar documentaires, peilen naar het geweten van toevallige passanten en verlangen het geheim te weten van een nog niet in kaart gebracht land. De alledaagse avonturen in de supermarkt en op de fiets zijn hun domein; de routine, de vanzelfsprekendheid, de nabijheid is hun rijk. Zij moeten het hebben van sudderen, van broeien, van sluimeren. En dan, op een goede dag, barst er iets. En dan gutst het.
Toegegeven, als ik laat in de avond naar beneden ga om met een bescheiden portie likeur naar de maan en de sterren te staan kijken, kunnen mijn motieven weleens verward raken. Maar op mijn beste dag is mijn beste weg tot de doorbraak, tot de volbrenging van een idee, het aanzicht van het universum boven ons Mortsels tuintje. In koude kristallen stilte, onverstoorbaar, en ik blijf beneden en praat tegen de lichtblauwe fonkelingetjes; ik praat tegen mezelf en vorm het verhaal. Vele snelheidsduivels en vuurwerkideetjes hebben deze behandeling genoten. Maar zij kwamen tekort; schoten bleek uit in het maanlicht, een schaduw van hun protserige zelf.
Het is daar, onder die koepel of op dat terras, dat - alsof ze poppen waren van zachte, kleinzerige rupsen - de slome ideeën de armen uitstrekken en dan zie ik de reikwijdte van hun verstand, de omvang van hun inventaris. Dan praat ik over het geweten van een natie, de droom van een stenen reus, kastelen van koraal en het graven in een nalatenschap. Dan voel ik me toch heel eventjes werkelijk alsof ik iets teweeg kan brengen. Dan voel ik mijn vingers op de vibrerende wanden van de slagader van de literatuur, dan hoor ik het hart van de papierstapel kloppen, en op die momenten weet ik wat mij te doen staat. Schrijven, moet ik. Ik ben een trage schrijver, geen snelheidsduivel. Ik krijg één idee per jaar.

0 reacties:
Een reactie plaatsen