In de winkelstraat wilt Holly een roman kopen van Dan Brown, Nick rolt met de ogen maar ze pruilt, hij haalt zijn portefeuille boven en vraagt wat ik vind van Dan Brown, weet ik veel wat ik vind van Dan Brown, ik ken Dan Brown niet, ik zeg dat Dan Brown een goede schrijver is en Holly knikt tevreden. Dan Brown kan me gestolen worden, de letters druipen over de pagina’s, hysterisch en zwijmelend, hij snurkt de miljoenen bijeen, zijn vingers tikken lethargisch op de toetsen en de teller stijgt, de bankbriefjes worden door de kieren van de deur naar binnen geduwd door hijgende vrouwelijke fans, bevrucht ons, Dan Brown, en Holly glundert en Nick geeft me een schouderklopje en Dan Brown spuwt een klodder saai slijm op een lege pagina en verkoopt het als zijn laatste meesterwerk. Wat maakt het allemaal nog uit.
Als ik nu bij Nela was, zou ik haar negeren? Als ik nu bij Nela was, zou ik haar negeren. Ik zou met haar praten. Haar ogen willen zien terwijl ik ineenstort op haar boezem, op haar drempel, op haar ijsschots, haar verdomde krullen willen afknippen, alle kleuren die haar ogen hebben tellen en ze één voor één versnipperen, haar wegwerpen, vasthouden, haar verachten, ik zou me weg draaien van haar, of ik zou me aan haar voeten werpen, alles is te laat en niets wat ik nu nog doe zal iets veranderen, niets wat ik niet doe zal iets veranderen. Ze zal zeggen dat ik te laat ben, dat ze niets door had, dat ze van me houdt als een vriend en later die avond zal hij het zweet van haar dij likken en knijpen in haar schouders. Vruchteloze vrouw! Ik spiets je, ik nagel je aan mijn doodskist. Zwijg, Holly, ik wil niet naar je ogen kijken, niet naar je wimpers, ik wil je vingers niet rond mijn hand voelen, ik wil geen trillingen in mijn onderbuik, ik wil langzaam wegschuifelen, naar beneden vallen, deze nachtelijke kusten verlaten, deze sterfelijke aardbol. Het schattige meisje, ze is ros, heeft een strandbal en korte benen. Ze schreeuwt onaangenaam luid. Ik zwijg en onder mijn voeten het strand, de boekenwinkel, de vloermat van de wagen, het hotel, een donker steegje. Ik weet het niet.
Overlopers! Ik ben vergeten. Mocht ik daar zijn, ze zouden me ook vergeten, ze zouden met z’n allen naar een zwoel, warm café gaan en de nacht lang van elkaar houden en ik zou me afvragen waar ze zijn, herinneringen mislopend als een blinde profeet, mijn klauwen in hun achterhoofd, mijn stokstijve stem is verlamd, mijn tong droog, bruin, gekloofd, verbrokkeld. Dan Browns onnozel gelaat, het putje in zijn debiele kin, ze lachen met mij, ik word op sleeptouw genomen door deze gestalten. Hier, Ben, neem een smoothie. In mijn ogen zie je dat ik denk aan wat ik tegen je zei. Hier, Ben, dezelfde mond die je kussen wou, die grijnst nu en is veraf, hier, Ben, we dagen je uit, we slepen je mee de leegte in en achterom kijken mag je niet, blijf bij ons. Vrienden, vrouwen, de wereld, ik sluit de ogen en drink van de smoothie. De smoothie is koud. De smoothie smaakt naar zure aardbeien.
We verlaten het strand, of winkel, het kan me al niet meer schelen, we stappen in, Nick draait zich om, hij lijkt een beetje triest en kijkt me aan, ik zucht, maar het lijkt alsof de woorden hem ontgaan en hij manoeuvreert de wagen in de juiste richting om daarna de radio aan te zetten. De rit neemt ons langs het strand en de mensenzee. We hoeven niet te praten, de muziek vult de leegte, de diepe basstemmen van de presentators gonzen door de vloer van de wagen, Nicks kleine neus in silhouet en zijn grote handen rond het stuur, Holly legt haar haren goed, ik kijk naar buiten, mijn kin rustend op mijn hand. In de zomer reed ik mee met mijn vrienden in hun wagen. De ramen stonden open, de Red Hot Chili Peppers zongen Californication, en Nela’s haar wapperde in de zachte bries, de wereld was onze oester, ik had tranen in de ogen, en dat was de enige keer in mijn leven dat ik zoiets deed, iets wat anderen dagelijks meemaken, ik huilde uit besef dat die zomerse rit mijn leven zou gaan bepalen.
We aten paëlla die avond, en barbecue. Aan de tafel zaten we, met acht ongeveer, ik dronk voor het eerst wijn en genoot met volle teugen van de kosmos rond me heen. Maar uiteindelijk praatte niemand met mij als ik er niet om vroeg. Uiteindelijk was ik daar gewoon maar. Uiteindelijk ging ik naar huis en bleven er nog twee mensen, ze gingen nog naar een feestje, ik had dat geweigerd, op weg naar huis zuchtte ik diep, er was geen muziek dit keer en ik had geen enkele foto genomen. Het regende. Het regende zoals het regende in de apotheose van elk boek dat ik sindsdien gelezen heb, het regende zoals het nu regent boven L.A., grijze druppels, gezeefd door de hemel, een sproeiende mist, een wolk van fijnbesnaarde verfdruppels daalt neer boven de wereldstad en op de radio verkondigen ze zonneschijn. Als goden. Holly’s haar is vettig en er is geen bries, Nick heeft een luide, nasale ademhaling, en ver weg, over kilometers zee, is er niemand om mij te omhelzen als ik terugkeer.
In de winter zat ik met mijn rug tegen de verwarming, een tijdschrift in de handen. Televisieprogramma’s – die avond speelden ze Troy op VT4 – en mopjes, maar mijn ogen zagen niets, ze vervlogen naar die verloren avonden en die verspilde dagen, naar die lijdende seconden van verveling en afkeuren. Nee, zei ik, nee, ik heb geen tijd. Kilometers verder werd er gelachen, gegrijnst, gedanst, en ik las een tijdschrift in de woonkamer, met een zak chips in mijn schoot. Mijn gezouten bedpartner. De nacht was jong, de sneeuw kleurde geel door de straatverlichting en koppels schuifelden hand in hand voorbij het raam. Een kerstboom fonkelde aandoenlijk, er werd gezongen van wereldvrede en van bier, neuzen werden rood en schaatsen werden vastgesjord, een klein meisje van twaalf kirde op haar slee, in het café rolde de dobbelsteen en bruiste de frisdrank, de alcohol was zoet en suikerachtig en de gesprekken gingen dieper, drongen door tot elkaars ziel, er werd in ogen gekeken en toevertrouwd, er werd vastgehecht en liefgehad, wie weet werd er gekust, wie weet werd er geknuffeld, en ik zat met mijn rug tegen de verwarming, een tijdschrift in de handen. Die avond speelden ze Brad Pitt op VT4.
:D ik weet het einde al nahnahnahhnahnaaaaana :)
BeantwoordenVerwijderendit is kei goed Jelle, kleine, subtiele schouderklopjes aan jou adres!