Ze is een overweldigende kracht
Van katoen en wol en wolkjes
Van gewassen haar en pleisters
Een overmacht van weldaad
Een storm van zorg
Ze is een huppelende boekhoudster
Een struisvogel die struikelt
Ze is een vruchtenplukker en een dekendijker
Een snoepjesmens, een sterrenkijker
Aan haar haren hangen de elfen
In haar ogen schijnt het steeds lente
En de zon is haar gezelschap
Tot in het diepst van de nacht
Ze is een grote grijns en een gebald paar handen
Tegen haar neus geduwd
Ze is een stuwende eenheid
Een zeldzaamheid op aarde
Een adem in de nek op de creatieve plek
Een motivatie, een inspiratie
Een Eden, een reden
Ze buigt soms het hoofd en zucht
Aan haar kan ze soms niets doen
Haar handen komen tekort voor de mensen om haar heen
En er is nooit genoeg tijd voor niets
Ze noopt tot stilte en buigt mijn wil om
Een perfecter spiegelbeeld
Een extreem, een embleem, een fakkel van haar geslacht
Een zwakte, een sterkte, een weldaadsovermacht
0 reacties:
Een reactie plaatsen