maandag 27 december 2010

Jelle en D&D - vol. I

Er was een tijd in mijn leven (er was best veel tijd in mijn leven, maar kom) dat ik dacht iets te kennen en kunnen van Dungeons and Dragons. Ik raakte toen verzeild op een roleplayforum, dat toegewijd was aan verscheidene 'campaigns' waar mensen zich in de gedaante van zelfgemaakte, fantasierijke personages stortten op vijanden, raadsels en diplomatieke gesprekken. De leden van dat forum waren twintig, dertig jaar, allen volkomen vertrouwd met de behoorlijk complexe regels van dit spel, en namen het forum heel erg serieus.

Ik was twaalf jaar oud, had een gebrekkige kennis van het Engels, en wist geen sikkepit van de regels van Dungeons en Dragons.



Ik maakte mezelf lid van een campaign. Het eerste dat natuurlijk gedaan moest worden, was een character sheet, de samenvatting van je personage, de vaardigheden, de wapens, leeftijd, achtergrond, en een heleboel wiskundig berekende krachten en eigenschappen. Ik, zonder enig besef van de formules achter die cijfers, vond mijn medespelers maar zwakkelingen, die van weinig durf getuigden, en gokte op een iets minder bescheiden getal voor de mij totaal onbekende categorieën. Dat zal hen leren, de losers!



Uitrusting? Uiteraard had ik een stenen bijl, en uiteraard heette die "Axe Of Stone". Ik was dan ook een dwerg met de opmerkelijke naam "Thror Stoneblade", een dwerg die op geen enkel vlak enigzins getuigde van originaliteit - hij werkte in een mijn, hield van zijn familie en stond op zijn eer, en sprak met een mysterieus Schots accent. Alle cliché's der dwergen in één personage gestopt, besloot ik dat Thror klaar was voor actie. Waar mijn medespelers biografieën van zo'n tweehonderd regels hadden geschreven, hield ik het op een bescheiden 10 regels.

Ondanks mijn onbegrip van het hele systeem, merkte er niemand iets op aan mijn personage, en kwam ik de campaign in. Zo gezegd, zo gedaan, onze groep ging op pad door het woud, ik postte ijverijg mee en amuseerde me te pletter.

Tot onze groep aankwam bij een rivier.

Ziet u, ongeveer alle deelnemers waren mannelijk. En vrijgezel. En ongeveer al hun personages waren rondborstige elfen, voorzien van sensuele lippen, lokken zo weelderig als het Great Barrier Reef en gebeeldhouwde dijen. Het heeft me verbazend lang geduurd om tussen deze twee dingen een verband te zien.



Ik, daarentegen, was een zwijgzame dwerg, gezegend met onnatuurlijk veel PHP, M en AC, en een stenen bijl. Maar geen van die attributen konden me voorbereiden op wat er zou gebeuren gaan.



De wulpse, zwoele elfen besloten een bad te nemen. Ik, onschuldig en jong, ging verderop "wash my beard and clean my axe", trots en fier als Thror was. We hadden nog een verre tocht voor de boeg en mijn bijl moest piekfijn in orde zijn, om alle monsters te verslaan! In enkele regels vertelde ik hoe ik naar de rivier slofte en op een steen ging zitten.

De anderen verloren echter de aandacht. In plaats van zoals ik hun aandacht bij de queeste te houden, begonnen ze elkaar giechelend en met virtuoos taalgebruik uit te kleden en andere intieme betrekkingen uit te voeren. Ik las deze posts met weinig aandacht en lichte ergernis. Er was geen tijd voor seks! De monsters lagen te wachten!

Pagina na pagina werd echter gewijd aan deze waterval-orgie. Ergens tussenin gooide ik een hulpeloos berichtje over mijn bijl die steeds properder werd, maar de vrijgezellen leefden zich volkomen uit in hun lesbo-erotisch verhaaltje.

Thror Stoneblade en ik keken toe. Ze namen dit duidelijk helemaal niet serieus! Gezellig hoor, jongens!

Gelukkig hielden ze er snel mee op, en gingen we verder op pad. Ik moest echter een oogje in het zeil houden, want het was nog geen seconde rustig of ze lagen alweer in elkaars armen. Pruilend keek ik toe, stampvoetend om hun weinig efficiënte verhaallijnen, volkomen belust op het een kopje kleiner maken van al onze vijanden.

De campaign werd afgelast nog voor het eerste gevecht had plaatsgevonden. Volkomen getraumatiseerd door deze kennismaking met het elfenras, ging Thror Stoneblade op voortijdig pensioen. Jelle Van de Vijver, daarentegen, had de smaak te pakken.

Pageviews


Het zuidelijk halfrond moet niks van mij weten.

zondag 19 december 2010

Dubliners

De straat is donker. Sneeuwvlokken dalen in stilte neer, geruisloos de aarde strelend met hun kille nabijheid, krakend onder laarzen, de hemel is inktzwart. Uit het glasraam van een cafeetje valt een spaarzame lichtbundel over het voetpad, een lichtbundel die sneeuwvlokken momentaan doet oplichten voor ze opgaan in de melkwitte massa. De barman is zijn geld aan het tellen, het café is leeg, op één tafel na, een tafel in het midden van de kamer, onder een groene lamp, gevat in deze straal.

Op het geverniste tafelblad, bekrast en vettig, staan twee lege glazen. Het schuim aan de rand is aan het drogen. Op de radio wordt sneeuw aangekondigd; het sneeuwt in het hele land. De barman is kalend, hij draait aan de volumeknop, een potlood achter het oor, zijn blik valt op de drie mannen in het midden, ze zijn al een tijd in gedachten verzonken. De dichtste bij de bar, met zijn rug naar het raam, draagt een lichtbruine jas, en steunt met zijn ellebogen op de tafel, een man met rode wangen en een somber gelaat, hij werkt in de haven. De tweede kijkt voortdurend op zijn horloge. Zijn jas hangt over de leuning van zijn stoel, hij moet morgen gaan biechten, er wegen zware zonden op zijn schouders. Zijn gezicht is pafferig en rond, en wanneer hij spreekt, neigt zijn onderkaak naar rechts. Er landt een vlieg op de tafel. Ze blijven inert.

De derde man weegt op het gesprek, in alle stilte. Hij is ouder dan de anderen, zijn grijzende haar lijkt wel transparant, als een witte waas rond zijn schedel, hij leunt achterover, buiten het bereik van de lamp, en zijn gelaat krijgt een donkere schaduw, een lijdzaamheid van gesponnen duisternis. In zijn borstzak houdt hij een horloge opgeborgen, als het stil genoeg is kan je het horen tikken.

"Er komt nooit meer zo'n tijd, James." zegt de eerste man. De oudere lijkt dit te beamen, zijn hoofd zakt naar beneden, maar de tweede man schudt zijn hoofd, zijn onderkin waggelt onaangenaam. "We moeten Gilroy stemmen. Gilroy, zeg ik je."
Maar Gilroy is niet populair aan deze tafel. De gesprekspartners zijn het er over eens dat Gilroy niet de juiste keuze is. Met bewondering wordt de mening van de derde man aanhoord, hij is wijzer en lang niet zo overhaast, hij vindt wachten de beste optie, hij verkiest het geduld. James probeert een druppel bier te overhalen om het glas uit te rollen, maar zijn keel blijft droog.

"Vroeger, toen de stad nog jong was, liepen alle straten naar het centrum, en elke deur die je binnenwandelde was de deur van je eigen huis. In de bloemenperken dansten meisjes, jonge meisjes van twaalf, en hun jongere broertjes achtervolgden gouden vlinders in de goot. Op balkonnen werd er nog gelachen, in zalen luisterden we naar fluisteringen van passie en woede, naar het gekerm van artiesten, en er was steeds genoeg roomijs voor iedereen. Er komt nooit meer zo'n tijd."
"Gilroy!" oppert James. Maar zijn ogen zijn neergeslagen, de herinneringen raken hem evenzeer, ook hij voelt nog steeds de warme huid van zijn zuster tegen zijn borst, hij voelt nog steeds de adem van de pastoor in zijn nek. Serviam. Serviam. Serviam. Maar de blik van hun meerdere in jaren lijkt te zijn verduisterd, deze tijden waren zijn tijden, hij is van alle tijden. Hij blijft bescheiden onder al deze nostalgie. De anderen geven toe dat de tijd nu eenmaal vervliegt. James moet morgen gaan biechten.

De smaak van muziek. De barman heeft zes dochters, en één voor één dwalen hun ogen af naar het zigeunervolk. Zijn voorhoofd brokkelt af, consternatie alom, en zijn marmeren zee barst open, ingenieur van de verslaving, het gesprek is in stilte afgedwaald. Ijsschotsen. In de verzwelgende, arctische blauwte dwalen zij rond, en de schutter volgt hen, hij wil hun bloed koken voor zijn kinderen. Zo'n tijd zou er nooit meer komen.

De oudere man legt zijn handen op de tafel, maar niemand kijkt naar zijn handen, ze deinzen terug voor zijn verstand, zijn Latijnse ernst. Gesprekken worden afgeknot door de oordelen die hij velt, nog voor ze zijn uitgesproken, hij heeft het geweten. James begint aan de korstjes te krabben, zijn ogen als die van een hond, waterachtig, je durft hem niet aankijken, je wil niet medeplichtig zijn aan zijn verdriet, iedereen is het beu, in de haven is de geur van vis overweldigend, tienerdochters worden uit schoten losgerukt, Gilroy is een imbeciel, de sneeuw dempt het al, de kosmos ruist, er is storing in de wind, en de barman zet de radio af. Iets zegt hem dat de tijd op is.

Jij zit in de hoek van de kamer.

Iemand in deze kamer is jaren geleden overleden.

Maar wie?

vrijdag 17 december 2010

Waanwereld

Ik kijk streng naar mezelf
En breek me in stukken
Als een verdroogde koek, een verrafeld boek
Ik kijk lang naar mezelf
En snijd mezelf in repen
Verzen, boeken, epen

Brokken van mij, huilende scharrels huid
Ik bloed op hen en scheld hen uit
Tot ze weer tot leven komen

Ze zijn van mij

Ik kijk streng naar mezelf
Mijn waanwereld in
Niemand hier is ik
Maar iedereen is mij

maandag 6 december 2010

A new me

I wonder what L.A.'s thinking
Or shall I scale these fairytale cliffs?
In this mind, my teeth are slowly sinking
'Tis where inspiration lives

I have unsheathed my sword
Unbored my bored - life's too short
Charge, bulls of Eden! Take no prisoners
Rampage and bliss, the best of joy

I am forever

A new me is being born
A new promise, a bustling start
I am shedding this skin, this shame
I'm no longer torn
I no longer fear my heart
What used to die out, is now a roaring flame

I have been aching for freedom for far too long
And girl, I'm taking you with me

Endings and beginnings

Tick, tick
Rain softly falling on my chamber door
Sick, sick
Darkness faintly falling at the corner store

The geese have returned
The clouds have gone grey - and behold
The village, the houses, the men and women - for years they burned
Cold hands, cold fingers, cold

Death is here

Tick, tick
Brain, silently hoping there will be no more
Sick, sick
Darkness faintly falling, upon the nightly shore